vrijdag 21 januari 2011

Leeuwarden, 1985

Ik kijk om me heen, zoals ik wel vaker deed.
Alleen, deze keer was het, alsof ik door andere ogen keek, alsof ik buiten mijzelf was getreden.
Ik zag mezelf zitten aan die bar, waaraan ik wel vaker zat, als een vreemde; dit was ik niet, dit was een vreemde ik, een ik die ik niet wilde, maar die telkens in me kwam.
Na een avond in m’n eigen café gewerkt te hebben, na een avond geklets in de ruimte aangehoord te hebben, na een avond van lachen, drinken, kaarten en spanning.
Een avond die gedeeltelijk diepe indruk op me maakte, maar gedeeltelijk ook aan me voorbijging.
Ik kon me er voor afsluiten en speelde het spelletje zoals het gespeeld moest worden.
Die vreemde ik en dus niet ik zat aan die bar, een bar zoals zoveel en toch ook niet.
Ik zag mezelf zitten tussen mannen en vrouwen, of misschien meer jongens en meisjes.
Geen gewone jongens en meisjes, geen jongens en meisjes die ik eigenlijk gewend was.
Geen mensen waar ik eigenlijk mee om wilde gaan, maar die andere ik wel, althans, hij ging er mee om.
Die andere ik kon zich heel  makkelijk aan vreemde, onwennige situaties aanpassen, alsof het gewoon was, alsof de wereld uit meerdere werelden bestond die allemaal acceptabel waren.
Och, dromer!
Nee, dit waren aparte jongens en meisjes.
Tenminste anders dan in mijn normale leven van enkele jaren daarvoor.
De meesten hadden grote, of in ieder geval lelijke tattoes op armen, of vingers of oorlellen.
Van die ruwe, soms zelfgemaakte, lelijk.
Ikzelf had ooit ook een laten zetten in een lichtelijk dronken bui.
Een roos op m’n onderarm,waarom?
Ach, dat hoorde bij het leven wat ik toen leidde, wat ik zelfs ergens wel normaal vond, tenminste…die andere ik.
En na een avond stappen met mijn toenmalige barkeeper, die een reusachtige bouvier op zijn rug liet zetten en de nodige biertjes dacht ik, of eigenlijk dacht ik niet meer, ik deed gewoon.
Toen.
Diep van binnen eigenlijk niet, maar toch, je kon niet stoppen.
Die jongens en meisjes om mij heen,  de meesten een jaar of twintig,  vijfentwintig, sommigen vijfendertig en sommigen een jaar of zestig zaten te kletsen, te vrijen of te kaarten.
Naast me zat een kerel me met lodderige oogjes aan te kijken alsof ik van een andere planeet kwam.
Op zich een gezellig tafereel, behalve de dreiging die er eigenlijk altijd wel hing.
Soms, zonder merkbare aanleiding kon er ineens een vechtpartij ontstaan, of op z’n minst een scheldpartij.
Een keer heb ik een jongen een ander man door het raam zien smijten.
Waarom?
Meestal ging het over de liefde, of over moeder, of over….
Soms was de agressie onvoorstelbaar hard. Niet zomaar een klap, maar schoppen en slaan, alsof het slachtoffer dood moest. En soms scheelde dat niet zoveel. Steeds meer deden er dan mee aan de vechtpartij, alsof men blij was dat er weer iets gebeurde waarin je je even kon laten gaan.
Ik bemoeide me er nooit mee. Ik was geen vechter. Bleef altijd rustig op m’n krukje zitten als dat mogelijk was en keek met verbazing, ongeloof.
Meestal was het ook snel weer over en even later zaten de beulen met het slachtoffer  samen een biertje te drinken en elkaar te omhelzen, alsof er niets gebeurd was.
Maar een verkeerde opmerking van beul of slachtoffer kon de agressie zo weer doen oplaaien.
Ik heb dat nooit kunnen begrijpen, dat plotselinge, onvoorstelbare, harde korte geweld.
Ik zag jongens met gezichten alsof ze bij de maffia hoorden, ze zaten te smoezen en schichtig om zich heen te kijken.
Meestal keek ik maar wat langs ze heen, want als ze je kijken verkeerd opvatten….
Ik wist dat enkelen ook gewapend waren.
Ik zag een paar die dronken waren en tegen de barvrouw, een heerlijk volksmens van een jaar of vijftig met hoog geblondeerd haar en een sigaret in de mond, zoals alleen een kroegbazin een sigaret in haar mond kon hebben, zaten te zeuren.
De barvrouw deed of ze geïnteresseerd was, maar hield ondertussen de rest goed in de gaten.
Ik mocht haar altijd wel.
In het hoekje stonden een paar goeiige, nou ja goeiig op hun manier dan,  gespierde boys, die als het moest de vechtenden uit elkaar haalden, of, als het nodig was zelf wat klappen uitdeelden.
Ze hoorden als het ware bij de inventaris.
En wie vervelend was werd, eventueel na een paar klappen, naar buiten gegooid.
Er zaten ook een paar meiden van plezier een oudere man te verleiden.
De oogjes van de man glommen en waarschijnlijk hadden ze succes, want ze gingen met z’n drieën een taxi in.
De meiden hadden hele korte rokjes en ordinaire kousen.
Ze zagen er een beetje vies uit, onverzorgd, maar de man ging mee.
Ik zag hoe het eigenlijk mijn wereld helemaal niet was.
Hoe ik er eigenlijk helemaal niet thuishoorde.
Ik had ook nooit echt contact, want ze zagen mij toch een beetje als vreemdeling, al hoe ik soms m’n best deed om er bij te horen.
Waarom?
Ja, dat hoorde er toen een beetje bij.
Die ik was op hol geslagen en moeilijk te stoppen.
Tot diep in de nacht kroegen in, waar ik eigenlijk niet thuishoorde.
Best leuk en ook weer niet.
Bij thuiskomst had ik altijd een vreemd gevoel.
Alsof ik plots in een andere wereld kwam.
Alsof,..ik kwam in een andere wereld.
Ik kwam weer thuis, ik!
Een keurig huis in een nieuwbouwwijk, een vrouw die sliep.
Prachtige kinderen die sliepen.
Als ik dan thuiskwam dan boog ik me over alle drie heen en voelde me vreemd.
Gelukkig en ook niet.
Gelukkig, omdat ik thuis kwam, omdat daar die prachtige, heerlijke kinderen lagen.
Ongelukkig, omdat ze tegelijkertijd zo ver weg waren, zo buiten mij.
Ik moest weer even omschakelen, maar dat ging snel.
Ik was thuis en weer de liefdevolle echtgenoot en vader.
Dat wás ik vanaf dat moment ook weer. Die andere ik was al weer weg, vergeten, alsof het niet gebeurd was, achtergebleven in die kroeg om hem de volgende keer weer te ontmoeten.
Waarom zocht ik het op, waarom had ik niet genoeg aan thuis?
Waarom zat ik hier regelmatig aan deze bar, in deze wereld die de mijne niet was en nooit zou worden?

En toen keerde ik weer terug in mezelf en dacht: “Wat doe ik hier in Godsnaam?”
Ik keek naar de vent met de lodderige oogjes naast me, die me nog steeds zat aan te kijken.
Ik stond op, betaalde en liep de duisternis in.
Ik ben er nooit meer geweest.
Nooit meer.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen